Ademhaling

 De samenstelling van het ademhalingsstelsel:

  • De neus is het enige zichtbare deel van het ademhalingsstelsel. Binnenin is de neus verdeeld door het neustussenschot (neusseptum) in 2 openingen: de 2 neusgaten. Het neustussenschot bestaat uit neusbeen en kraakbeen. Het kraakbeen omvat het begin van de neus, samen met het neustussenschot. Terwijl het neusbeen de achterkant van de neus bevat. De beide neusgaten zijn bekleed met neusslijmvlies waardoor bloedvaatjes lopen. Vooraan in de neus zitten de neusharen.
  • De keelholte (pharynx) is terug te vinden achteraan de mondholte, neusholte en het strottenhoofd. Het eindigt waar de slokdarm (oesofagus) begint. We kunnen de keelholte verdelen in 3: de neuskeelholte (nasopharynx), de mondkeelholte (oropharynx) en het strottenhoofdkeelholte (laryngopharynx). Aan de weerszijden van de keelholte ligt de buis van Eustachius die voor een verbinding zorgt tussen de keelholte en het middenoor.
  • De luchtpijp (tranchea) is een buisje van een 15-tal centimeter, en een diameter van ongeveer 2,5 centimer die voorin de keelholte ligt. Het bestaat uit hoefijzervormige kraakbeensegmenten die door elkaar verbonden worden door een zacht weefsel. De segmenten zijn van buitenaf voelbaar. De luchtpijp is bedekt met zeer kleine, gevoelige haartjes (cilia) en zorgt voor een verbinding tussen keel en longen.
  • Strottenhoofd (larynx) is terug te vinden ter hoogte van de splitsing tussen de luchtpijp en de slokdarm. Daar zitten ook de stembanden. Het strottenhoofd is te verdelen in strotklepje, het schildkraakbeen, het ringkraakbeen en de bekerkraakbeentjes. Het strotklepje is een dun stukje kraakbeen dat omgeven is door slijmvlies. Het zorgt ervoor dat het eten bij het slikken niet in de luchtpijp kan terecht komen, maar naar de slokdarm moet.
  • De linker en rechter luchtpijptak (bronchus) verdeelt de luchtpijp zodanig dat er naar elke long 1 luchtpijptak loopt. Waar de long begint, eindigt de luchtpijptak en begint de longtak. Net zoals bij de luchtpijp zijn er ook hier fijne haartjes (cilia) aanwezig.
  • Bronchioli zijn de kleinere vertakkingen van de longtak. Ze hebben een diameter van ongeveer 1 millimeter en bestaan uit circulaire, gladde spieren. Bronchioli hebben een epitheel dat bedekt is met haartjes. Ze splitsen steeds weer verder in steeds kleiner wordende buisjes. Op het eind van die buisjes vinden we de longblaasjes.
  • Rechter long en linker long (pulo dexter en pulmo sinister) liggen in de borstholte (thorax) en zijn verdeeld in 3 stukken die longlobben worden genoemd. Ze worden verdeeld van elkaar door een frissuur. De linker long telt 2 lobben terwijl de rechterlong 3 lobben telt. Hij is dus kleiner omdat het hart langs die zijde zit. Longen hebben een zogenaamde sponsachtige structuur. Elke long is omgeven door een longvlies dat uit 2 longbladen bestaat: de pleura visceralis die vast zit aan de long en de pleura parietalis die aan de buitenkant van de borstwand zit. Tussen de bladen zit vocht, pleuravocht.
  • Longblaasjes (aveoli) zijn druifvormige blaasjes die terug te vidnen zijn op het uiterste eind van de longtakken. Ze zijn al shet ware kleine 'zakjes' met een flinterdunnen celwand (epithelium) die half doorlaatbaar is, waardoor grote moleculen (zoals bloedcellen) tegen gehouden kunnen worden, terwijl kleine moleculen (zoals water) er doorheen kunnen vloeien. Bovendien is het zo dat longblaasjes omgeven zijn door een haarvatennet zodat er een goede gasuitwisseling kan plaatsvinden. De longblaasjes zijn van elkaar gescheiden aan de hand van een septum.

De samenstelling van in- en uitgeademde lucht:

Ingeademde lucht bestaat uit een gemiddelde van: 79% stikstof, 20% zuurstof, 1% andere gassen en 0,04% koolzuur terwijl uitgeademde lucht bestaat uit een gemiddelde van: 79% stikstof, 16% zuurstof, 4% koolzuur en 1% andere gassen.

De werking va het ademhalingsstelsel:

De lucht komt binnen via de neusholte of via de mondholte. In de neusholte zitten tal van neushaartjes die kleine deeltjes kunnen tegenhouden zoals stof. Daarna gaat de lucht naar de keelholte om er dan in de luchtpijp (tranchea) terecht te komen. Ter hoogte van de longen vertakt de luchtpijp in 2 delen: de luchtpijptakken, waarlangs de lucht wordt vervoerd naar de steeds kleiner wordende longtakken. Uiteindelijk komt de lucht aan in de longblaasjes (aveoli) waar de gasuitwisseling plaatsvindt. Zuurstof wordt er afgegeven aan het bloed terwijl koolzuurgas opgenomen wordt van uit het bloed.

Wanneer de inademing gebeurt (inspiratie) moet het longoppervlak groter worden om de luchtinhoud volledig in de longen te krijgen, dus zetten de lonen uit. Op datzelfde moment zal het middenrif (diafragma) verkleinen. Wanneer de uitademing (experiratie) plaatsvindt, krimpen de longe nterug in zodanig dat het licht uit de longen wordt geperst. Op datzelfde moment zal het middenrif terug op zijn oorspronkelijke plaats gaan zitten. Dit wil dus zeggen dat het middenrif het omgekeerde doet van de longen: zetten de longen uit, dan gaat het middenrif aan de kant. Als de longen inkrimpen, dan gaat het middenrif terug op z'n plaats zitten.

Het is belangrijk om zo vaak mogelijk met de neus in te ademen en niet via de mond. Wie met de neus ademt verwarmt, filtert en bevochtigd de lucht alvorens die in het ademhalingsstelsel komt. Wat er resteert na de filtering in de neus, kan worden afgevoerd via het neusslijmvlies. Andere restjes kunnen worden afgevoerd via de traanbuisjes.

Leuk om weten is dat de verschillende seksen verschillende soorten ademhalingstechnieken hanteren. Zo gaan kinderen meest de buik gebruiken om te ademen (abdominale respiratie), dus hier zie je voornamelijk de buik bewegen bij het ademen. Vrouwen gaan meest de borstademhaling (thoracale respiratie) toepassen: het is hier dus hoofdzakelijk de borst die beweegt. En mannen, tot slot, maken zowel gebruik van de borst-als buikademhaling.

Het opmeten van de ademhaling:

Eén van de factoren bij het controleren van de vitale functie's is het controleren van de ademhaling. Dat kan op verschillende manieren gebeuren: zoals controle met het blote oog. Daarmee kunnen we weten hoe de frequentie, ritme en de ademhalingsdiepte is. Maar de ademhaling kunnen we ook controleren met ons gehoor: daarmee kunnen we weten wat de diepte, geluid, ritme en de frequentie is. Dit kan natuurlijk ook met een stethoscoop gebeuren. Tot slot kan de ademhaling natuurlijk ook gevoeld worden. Daarbij kan de hand op  de borst gelegd worden of een 5tal centimeter boven de mond gehouden worden.

Het aantal keer ademhalen (ademhalingsfrequentie) per minuut is afhankelijk van een ganse reeks verschillende factoren zoals de leeftijd, de inspanning (bvb koorts) , de spanning (bvb stress) en emotie's (bvb grote blijdschap) enzovoort. Rekening houdend met de voorgaande factoren spreekt men van de gemiddelde ademhalingswaarden:

  • Bij de pasgeborene: 40 à 50 ademhalingen per minuut
  • Bij zuigelingen: 34 à 40 ademhalingen per minuut
  • Bij de kleuter: 20 à 30 ademhalingen per minuut
  • Bij het kind, de volwassene en de oudere: 16 à 20 ademhalingen per minuut

Maar het zijn niet alleen het aantal ademteugen per minuut die van belang kunnen zijn. Zo kan de arts ook luisteren naar het ademhalingsritme (volgen de ademteugen elkaar op of zitten er tussenpauzes in), naar de diepte van de ademhaling (is de ademhaling diep of oppervlakkig) en naar het geluid (is er een piepende, hijgende, reutelende ademhaling?)

Het nut van de ademhalingsstelsel:

Ademen is levensnoodzakelijk (vitaal) om verschillende redenen:

  • zuurstof moet kunnen worden opgenomen worden vanuit de lucht om aan het bloed te geven
  • afvalstoffen (koolstofdioxide en andere onnuttige stoffen) die in het bloed zitten moeten kunnen worden afgegeven
  • de zuurtegraad in het lichaam (de zogenaamde pH-waarde) moet steeds geregeld worden

Mogelijke problemen met de ademhaling zijn:

astma, bronchiëctasieën, COPD, kinkhoest, longontsteking, mucoviscidose...

Home

Laatste herziening gebeurde op 25.09.10