home

Het bloed: anatomie (bouw)

De samenstelling van het bloed

Het bloed is zoveel meer dan gewoon een "rode vloeistof": in het bloed zitten zowel cellen (waarvan er verschillende soorten zijn), als vocht. De studie naar het bloed heet men de "hematologie". 

Laat ons beginnen met de "rode bloedcellen" (erytrocyten). Deze zijn goed voor 40% van het totale bloedvolume bij vrouwen en tot 50% van het totale bloedvolume bij mannen. Dat betekent dat voor elke kubieke millimeter bloed tussen de 4 à 6 miljoen rode bloedcellen aanwezig zijn! Als we een rode bloedcel onder de microscoop bekijken, dan zien we dat hij een doorsnede heeft van 7 à 8 micrometer en een dikte van ongeveer 2 micrometer, en dat hij in het midden meer afgeplat is dan aan de rand. Rondom de rode bloedcellen zitten antigenen die onze bloedgroep bepalen. Typerend voor de rode bloedcellen is dat zij géén celkern hebben. Ze bevatten wel hemoglobine, wat ijzer bevat. Ijzer neemt zuurstof op. Rode bloedcellen worden aangemaakt in het rode beenmerg. Op dat moment noemen we ze "reticulocyten". Na ongeveer een zestal dagen zullen ze pas in de bloedcirculatie terecht komen waar ze 120 dagen overleven. Wanneer ze afgebroken worden, komt er ijzer vrij die zal opgeslagen worden in eiwitten. De afbraak zelf zal dat gebeuren in de bloedbaan (intraveasale bloedafbraak) en in de milt (extravasale bloedafbraak).

Naast de rode bloedcellen hebben we ook "witte bloedcellen" of "leukocyten". Zij zijn goed voor 4% van ons totale bloedvolume. Ze ontspringen in het beenmerg, rijpen uit in de milt, thymus (zwezerik) en de lymfeklieren. We kunnen de witte bloedcellen schematisch indelen:
de hoofdgroep leukocyten zijn onder te delen in granulocyten, monocyten (die 1 à 2 dagen in het bloed circuleren alvorens ze "macrofagen" worden) en lymfocyten. Deze splitsen we verder uit in neutrofielen, eosinofielen en basofielen. Witte bloedcellen leven gemiddeld een paar uur tot een paar dagen. We merken dat deze cellen kleurloos zijn en wél een kern hebben.

Naast rode bloedcellen en witte bloedcellen hebben we ook nog de "bloedplaatjes" of "trombocyten". Zij hebben, net als de rode boedcellen, géén celkern. Ze zijn ovaalvormig en volkomen kleurloos. Eigenlijk mogen we een bloedplaatje niet bij de categorie "bloedcellen" plaatsen omdat een bloedplaatje eigenlijk maar een bloedcelfragment is. Ze zijn verbrokkelde stukjes van beenmergcellen, die tromboplastine bevatten, een stof die nodig is voor het stollingsproces. We zien dat bloedplaatjes een achttal dagen overleven.

Maar naast die bloedcellen en bloedcelfragmenten (rode, witte en bloedplaatjes) is er nog een stof te vinden in het bloed, een vloeistof dat men plasma heet.  Het is een substantie die gelig is van kleur. Ons bloed bestaat voor 55% uit plasma, de overige 45% zijn de bloedcellen-en plaatjes. Plasma bestaat uit:

  • Water, goed voor 90% van het totale plasmagehalte
  • Organische stoffen zijn goed voor 0.1% van het bloedsplasma.
    • Hieronder vinden we vb vetten, antistoffen, enzymen...
  • Anorganische stoffen zijn goed voor 0.9% van het bloedplasma
    • We vinden hier calcium, natrium en kalium
  • Plasma eiwitten zijn terug te vinden en goed voor  7% van het bloedplasma
    • Denk hier aan albuminen en globulinen

Hoe komt men aan de verschillende bloedgroepen?

Er zijn verschillende bloedgroepen terug te vinden, die worden bepaald aan de aanwezigheid of afwezigheid van specifieke eiwitten op de rand van de rode bloedcellen.

  • Bloedgroep "A", bevat het antigen A op de rode bloedcellen
  • Bloedgroep "B", bevat het antigen B op de rode bloedcellen
  • Bloedgroep "AB", bevat zowel het antigen A, als het antigen B op de rode bloedcellen
  • Bloedgroep "O", bevat geen eiwitten/antigenen.

De voorgaande bloedgroepen worden da nog eens verdeeld in "Rhesus +" (rhesus positief, die het antigen D bevatten) en "Rhesus -" (rhesus negatief, die geen antigen D bevatten. Vandaar dat men meestal spreekt van de bloedgroepen: A+, A-, B+, B-, AB+, AB-, O+, O. Om te weten of er sprake is van een rhesuspositief of een rhesusnegatief bloedstaal, zal men op de rode bloedcellen nakijken of daar de rhesusfactor op zit of niet. Zoja, dan spreken we van een rhesuspositief bloedstaal, en zoniet is het een rhesusnegatief bloedstaal.

De bloedgroepen: wie mag geven en wie mag ontvangen?

Wanneer iemand bloed moet ontvangen van iemand anders (vb bij een ongeval of bloed van de baby die in contact komt met het bloed van de moeder), kan er een reactie optreden. Daarom kijkt men steeds naar uw eigen bloedgroep en of die al dan niet te combineren valt met het donorbloed. De mogelijkheden die van toepassing zijn:

  • Iemand met bloedgroep A+ kan bloed ontvangen van
    • iemand met  bloedgroep A+, A-, O+, O-
  • Iemand met bloedgroep A- kan bloed ontvangen van
    • iemand met bloedgroep A-, O-
  • Iemand met bloedgroep B+ kan bloed ontvangen van
    • iemand met bloedgroep B+, B-, O+, O-
  • Iemand met bloedgroep B- kan bloed ontvangen van
    • iemand met bloedgroep B-, O-
  • Iemand met bloedgroep AB+ kan bloed ontvangen van
    • iemand met bloedgroep  A+, A-, B+, B-, AB+, AB-, O+, O-
  • Iemand met bloedgroep AB- kan bloed ontvangen van
    • iemand met bloedgroep A-, B-, AB-, O-
  • Iemand met bloedgroep O+ kan bloed ontvangen van
    • iemand met bloedgroep O+, O-
  • Iemand met bloedgroep O- kan bloed ontvangen van
    • iemand met bloedgroep O-

De bloedgroep O+ komt het meeste voor in België en Nederland, gevolgd door A+. Het minst komt AB- voor. Zoals u kunt zien in bovenstaande uitdieping, is de bloedgroep AB+ diegene die het meeste kan ontvangen maar jammer genoeg is maar gemiddeld 3,3% van de bevolking eigenaar van bloedgroep AB+. Opvallend is dat in de Afrikaanse landen de mensen merendeel bloedgroep A hebben.

HOME                                                                       FORUM                                                MEER INFO OVER DIT THEMA