|
Witte bloedcellen
Naast rode bloedcellen zijn er ook witte bloedcellen (leukocyten), die goed zijn voor 4% van het totale bloedvolume. Ze ontspringen in het rode beenmerg, rijpen uit in de milt, zwezerik (thymus) en de lymfeklieren. De afbraak gebeurt in de lever en milt.
Witte bloedcellen deelt men schematisch in: de hoofdgroep granulocyten zijn te verdelen in de basofiele granulocyten, de neutrofiele granulocyten en de eosinofiele granulocyten. Daarnaast hebben we ook de agranulocyten: de lymfocyten, de monocyten en macrogafen. Elk van hen heeft een eigen functie. De monocyten staan in voor de fagocytose en reageren op de antilichamen. De neutrofielen staan gedeeltelijk in tegen de bacteriële infectie's. De eosinofielen reageren op parasitaire infecties. De basofielen zijn de cellen die instaan voor allergieën.
Ze leven gemiddeld een paar uur tot een paar dagen. Ze zijn kleurloos maar hebben (in tegenstelling tot de rode bloedcellen en de bloedplaatjes) wel een kern.
Ze zijn een belangrijk onderdeel van het immuunsysteem: wanneer het lichaam wordt aangevallen door bacteriën, virussen, parasieten,... gaan de witte bloedcellen naar het probleem toe. De witte bloedcellen kunnen gemakkelijk veranderen van vorm en de bloedbaan verlaten om gemakkelijk naar de ziekteverwekker toe te gaan. Hierbij gaan de witte bloedcellen schijnvoetjes (pseudopia) gebruiken. Bij de ziekteverwekker gekomen, zal de witte bloedcel de ziekteverwekker omsluiten en afbreken. Dit proces heet men celvraat of fagocytose. Hieruit ontstaat etter.
* Verwante artikels: bloed, rode bloedcellen, bloedplaatjes, bloedsomloop
Home |